Marc Vandersmissen
Best photos All photos
492
photos
479
on Google Maps
views
Yes we Canon

Marc Vandersmissen's conversations

King George IV on the northeast plinth King George IV on the northeast plinth.Trafalgar London

Marble Arch / Marmeren Boog - Ooit kreeg de Marble Arch een ereplaats voor Buckingham Palace toegewezen maar het moest later uitwijken naar een verlaten hoek van Hyde Park. De triomfboog werd ontworpen naar het voorbeeld van een van de bekendste monumenten van Rome. John Nash De Marble Arch werd in 1827 ontworpen door John Nash als een soort van triomfpoort naar Buckingham Palace. Nash was indertijd een geroemde architect die verantwoordelijk was voor een architecturale vernieuwing van de stad aan het begin van de negentiende eeuw. Hij transformeerde Regent Street,Buckingham Palace en een groot deel van Marylebone, de wijk rond Regent's Park. Verhuis In 1851 werd de triomfboog verplaatst naar zijn huidige locatie in de noordoostelijke hoek van Hyde Park. Volgens sommige bronnen moest het monument verhuizen omdat de centrale boog te smal was voor koetsen, terwijl anderen beweren dat de boog weg moest omdat koningin Victoria meer ruimte wou rond Buckingham Palace.

Nash baseerde zijn ontwerp op de Boog van Constantijn, een triomfboog in Rome uit de vierde eeuw n.C. Beide bouwwerken hebben Corinthische zuilen en drie doorgangen: een grote boog in het midden en twee kleinere langs weerszijden. Bovenaan de boog zijn reliëfs zichtbaar die Engeland, Schotland en Ierland vertegenwoordigen.

In 1829 gaf koning George VI de opdracht om een ruiterstandbeeld van hemzelf te maken dat bovenop de boog zou geplaatst worden. Het beeld werd wel gemaakt maar werd uiteindelijk op een groot voetstuk in Trafalgar Square geplaatst in plaats van op de triomfboog.

Alhoewel de triomfboog gebouwd werd om als poort te dienen staat het tegenwoordig in een soort van niemandsland aan de grens tussen de Bayswater wijke en de Marylebone wijk. Toen de Marble Arch nog aanBuckingham Palace stond mochten enkel leden van de koninklijke familie en de koninklijke troepen door de poort gaan. Tegenwoordig mag iedereen er door lopen.

President Franklin D. Roosevelt an Sir Winston Churchill chat companionably on a bench near Aspreys, the jewellers, at 165 New Bond Street. The sculpture, entitled The Allies, by the American sculptor Lawrence Holofcener, erected by the Bond Street Association an unveiled in May 1995, commemorates fifty years of peace since the end of the Second World War.

Nog voor de opkomst van de stadsdichter, hadden veel steden een eigen stadsdier. Bergens aapje Het originele beeldje prijkt er ten minste sinds 1843 op heuphoogte tegen de pui van het stadhuis, links van de ingangspoort. Het staat bekend als ‘le singe du grand garde’, het aapje van de hoofdwachter. Waarom Mons een aapje als mascotte kreeg, valt nog moeilijk te achterhalen. Even intrigerend is de vraag waarom de meeste Bergense aapjes die door de lokale handel aan toeristen werden verkocht (de kleinste meten 4 centimeter ) steevast een laagje van groen glazuur kregen. Misschien omdat ook de lokale draak die jaarlijks tijdens een groots folklorefeest, la Ducasse de Mons, op het marktplein wordt bevochten, in een fel groene kleur steekt. Het echte, bronskleurige beeldje is maar een centimeter of veertig hoog en bevindt zich vermoedelijk al sinds de zeventiende eeuw in of aan het stadhuis. Zijn kopje glimt als een opgeblonken koperen ketel doordat het door tienduizenden mensen is geaaid, inclusief de Keizer van Japan en de Koning van Spanje. Niet toevallig speelt het beeldje in de lokale traditie de rol van geluksbrenger. Wie het aapje streelt en een wens uitspreekt, mag hopen op geluk. Een jongedame die hengelt naar de ideale man, een pas getrouwd stel dat snel kinderen wil, in Mons volstaat tot op vandaag een aai over het bolletje van het geluksaapje om in goede hoop verder te gaan. Het aapje van Bergen heeft ook gediend als ‘point de repère’, een ijkpunt voor de landmeters in deze mijnstreek (Borinage).

Orlando di Lasso

» België (Stijlperiode: Renaissance) Geboren: 1532 » Bergen Overleden: 14 juni 1594 » München

De naam Lassus (Lasso) zou kunnen afgeleid zijn van "Là-dessus", één van de wijken van Mons (het hogergelegen gedeelte van de stad, in tegenstelling met Là-dessous); volgens andere bronnen van Roland de Lâtre, een Franse versie van Roeland de Laet. Sedert zijn verblijf in Italië noemde Lassus zichzelf steeds Orlando di Lasso. Hij moet in 1532 geboren zijn. En de wilde verhalen die over zijn jeugd de ronde doen als zou hij driemaal door Italiaanse hoven gekidnapt zijn omwille van zijn gouden stemgeluid, dat in de St.-Nicolaskerk te Mons dagelijks te horen was, zijn waarschijnlijk niet van alle grond ontbloot. Het staat vast dat er een tweetal keren ""druk uitgeoefend"" werd, al dan niet door ontvoeringspogingen, tot zijn ouders hem vrijwillig ""verhuurden"" aan generaal Ferdinand Gonzaga, gezant van Keizer Karel en onderkoning van Sicilië. In de hoofdkerk van Mons was hij grondig geschoold in de muziek der Nederlanden, en dat was maar goed ook, want van de beloofde verdere vorming in Italië kan weinig terechtgekomen zijn: Gonzaga sleepte hem mee op al zijn reizen. Hierdoor leerde Lassus de hofmuziek van half Europa kennen. Na zijn stemmutatie verblijft hij nog een poos in Napels, en leert er de volkse liederen van de Commedia dell'arte kennen. Hier liggen de wortels van die knotsgekke stukjes in koeterwaals zoals de soldatenserenade ""Matonna mia cara, mi fallere canzon"".

In 1553 op 21-jarige leeftijd dus, wordt hij kapelmeester van Sint-Jan-van-Lateranen, en kan zich in Rome laven aan de kunst van een Josquin en een Palestrina.

In 1554 onderneemt hij een reis naar de Nederlanden en verblijft in Londen en Antwerpen (Susato gaf er Lassus Antwerps Motettenboek uit). In 1556 laat hij zich inlijven in de hertogelijke hofkapel van München, en vanaf 1560 komt hij aan het hoofd te staan van dit beroemde ensemble. Deze mensen moesten instaan voor het opluisteren van optochten, tornooien, jachtpartijen, kerkdiensten en andere feestelijkheden. In dit hofleven bewoog Lassus zich als een vis in het water en eerst in de laatste jaren van zijn leven werd hij daarin geremd door vlagen van zwaarmoedigheid. Hij trouwde met een hofdame en twee van zijn zonen werden ook componist. Lassus stierf op 14 juni 1594. Meer dan 2000 werken zijn van hem bekend, en hij toont zich een meester in elk genre: zowel missen, motetten, chansons, madrigalen als andere profane werkjes componeerde hij met het grootste gemak. Zijn onvoorstelbare energie, geschoeid op aanleg en opleiding, zijn mentale ernst vermengd met gezonde humor, zijn godsvrucht verzacht door weldadige luchthartigheid, zijn bijzonder taalgevoel en zijn beheersing van alle muzikale technieken, hebben het mogelijk gemaakt alle toentertijd bekende genres met een even groot gemak te beoefenen.

De hoogste toppen scheert hij evenwel in de motettenreeksen: "Davids boetepsalmen", de "Profetieën van de Sybillen", de "Tranen van de Heilige Petrus" en de "Lezingen van het boek Job". Zijn missen geven eerder een indruk van goed maatwerk, en ontberen de religieuze atmosfeer van een Palestrina.

Un mot d'histoire

Pourquoi "Collégiale Sainte-Waudru" ? Sainte Waudru et ses FillesLa collégiale est dédiée au culte de sainte Waudru, en l'honneur de cette femme qui vécut au 7e siècle, et fonda au lieu dit Castrilocus un petit monastère qui passe aux yeux des montois pour être à l'origine de la ville.

Cette église est dite "collégiale" car sa construction relève de la volonté d'un collège de chanoinesses, dames nobles qui vivaient selon une règle (canon) bien précise. Cette institution s'est développée à Mons dans le courant du 10e-11e siècle et a connu son apogée à partir du 15e siècle. A cette époque les chanoinesses souhaitaient avoir un bâtiment qui soit à la mesure de leur richesse et de leur puissance : le chapitre possédait en effet des terres et des maisons à Mons et dans ses alentours.

Un long chantier L'actuelle collégiale du 15e siècle a succédé à d'autres églises qui ont occupé ce lieu depuis le 7e siècle, époque de la fondation du premier ermitage par sainte Waudru. Elle a été construite à partir de 1450, suivant les plans d'architectes de Mons de Louvain. Sa construction a duré 139 ans ! Pendant tout ce temps, les maîtres d'oeuvre et les architectes successifs ont suivi le plan et la décoration du 15e siècle sans chercher à y introduire leur note personnelle ou à l'adapter au goût du jour, ce qui procure à l'église une formidable unité.

La tour Panorama de Mons avec la tour (non construite) - Dessin de L.Dolez c. 1880La tour unique - située à l'avant de l'édifice - devait avoir 190m de haut. Elle fut commencée en 1548 et jamais terminée. Les travaux ont été maintes fois interrompus jusqu'en 1687 date à laquelle ils ont été définitivement arrêtés à hauteur du toit. C'est pourquoi ont dit à Mons depuis le 16e siècle de quelque chose qui ne se termine jamais, " C'est la tour de Sainte-Waudru, on n'en verra pas le bout ! ".

Une histoire mouvementée Au moment de la Révolution française, le riche chapitre des chanoinesses dût fuir la ville en abandonnant tous ses biens aux révolutionnaires. La collégiale fut privée de sa décoration et transformée entre autre en écurie. Elle fut sauvée de justesse de la démolition.Le bâtiment sera réhabilité en 1803 au moment de la restauration du culte par Napoléon, non plus comme paroisse personnelle mais comme paroisse principale de la ville de Mons. Ainsi, aujourd'hui, Sainte-Waudru est devenue la paroisse en chef de la ville de Mons, à la place de l'ancienne paroisse de Saint-Germain, autrefois à ses côtés qui, elle, fut totalement détruite suite à la Révolution Française (1799).

Pour en savoir plus sur l'histoire complète de la collégiale et du chapitre.

Shape1marmoutierShape2logologo rojo Accueil Ecole Collège Lycée Internat Ens. Supérieur CDI Notre Histoire Plan d'accès Administration Pastorale A.P.E.L. O.G.E.C. Agenda Restauration Scolaire Galerie Photo

St Martin : le soldat chrétien St Martin est né vers 316 après J.C à Sabaria (aujourd'hui Szombathély en Hongrie). Fils d'un tribun romain, il suit par obligation les traces de son père et s'engage à 15 ans dans les légions romaines. En 334, à l'âge de 19 ans, le soldat Martin se fait baptiser à Amiens. C'est semble-t-il à cette époque, que l'épisode célèbre du partage de son manteau avec un pauvre se déroule. Puis durant 25 ans, il parcourt "l'Europe" (empire gallo-romain) de garnison en garnison. Mais l'attrait de la vie religieuse sera le plus fort.

La formation En 356, il quitte la légion et se retire à Poitiers auprès de l'évêque Hilaire, père de l'Église et principal adversaire de l'arianisme en occident. Pendant l'exil de St Hilaire, St Martin regagne sa Pannonie natale et convertit sa mère, puis repart pour "l'Italie" en Yliricum, près de Milan. Pendant ces quatre années, St Martin doit se cacher et vivre en ermite. En 361, le retour de St Hilaire comme évêque de Poitiers, permet à St Martin de retrouver son maître. Il s'installe à Ligugé et fonde le premier monastère de gaule. Il s'instruit auprès de St Hilaire jusqu'en 371. Le moine - évêque Le 4 juillet 371, il est élu évêque de Tours et jusqu'en 397 date de sa mort, il assume pleinement sa charge apostolique. - Il fonde des monastères, des paroisses comme celles de Langeais, Amboise, Candes, etc ... - Il participe aux conciles (assemblée régulière d'évêques et de théologiens) Durant cette période, ils doit résister aux différents administrateurs romains de la Gaule (Valentinien II, Maxime, etc...) pour poursuivre sa mission évangélisation. Puis il choisit de vivre en moine et il s'établit à Marmoutier qui signifie grand monastère avec 80 disciples. Il s'éteint à Candes le 8 novembre 397 et il est inhumé à Tours le 11 novembre

Son oeuvre St Martin est donc le fondateur des premiers monastères de contemplatifs (moines) mais aussi épiscopaux (prêtres).

Il est aussi à l'origine des séminaires, pépinières d'abbés et d'évêques.

Il a, dans son mandat apostolique, prêché en Auvergne, en Berry, Saintonge, la vallée du Rhône.

Par l'exemplarité de sa vie, il va imposer la notion de sainteté en Occident.

La figure de St Martin a été popularisée par son disciple Sulpice Sévère et plus tard par les récits légendaires de Grégoire de Tours (538-594)

Le haut Moyen-Age Vers 495, l'évêque Volusien bâtit la seconde église consacrée à Saint Jean-Baptiste. Au VIème siècle de nouveaux ermites comme Alaric et Léobardus s'installent à Marmoutier et c'est sans doute au VIIème siècle que l'oratoire de Notre Dame fut fondé. Le 8 novembre 853, les Normands pillent, incendient et détruisent l'abbaye. 126 moines sont massacrés et les 24 survivants sont recueillis par la Collégiale de Saint-Martin de Tours. Il faut attendre 892 pour que le roi Eudes Ier relèvent les bâtiments de ses ruines et on fait appel aux moines de l'abbaye de Cluny. Dès lors, Marmoutier devient l'abbaye pilote de l'ouest ; elle prend en charge la réforme des grandes abbayes et multiplie les acquisitions, et crée un empire monastique couvrant le nord-ouest de la France. Très révélateur de son prestige, Guillaume le Conquérant ayant fondé l'abbaye de la Bataille (en Angleterre après la victoire d'Hasting 1066) fait appel aux moines de Marmoutier. C'est lui et son épouse Mathilde qui financent la construction du dortoir et du réfectoire de Marmoutier. En 1096, le pape Urbain II consacre l'immense église construite en remplacement de celle de 980. Le Moyen-Age Au XIIème siècle, Marmoutier reste "le plus religieux des monastères de France" et assurément l'un des plus riches. Les travaux se succèdent :

  • officines et nouvelle enceinte (1104-1124) ;

    • chapelle des malades vers 1150, consacrée par le pape Alexandre III ;

    • cloître de l'infirmerie, cuisine et chapelle de l'abbé vers 1190.

Au XIIIème siècle, les travaux se poursuivent grâce à l'abbé Hugues des Roches (1210-1227). C'est à cette époque que sont construits :

- le portail de la crosse, encore présent aujourd'hui ;

- le portail de la Mitre ;

- la grange de Marmoutier (et celle de Meslay) ;

Notre abbé entreprend la reconstruction de l'église, la façade et les quatre premières travées.

La nef sera achevée par Geoffroy de Conan (1236-1262), le chœur entre 1283 et 1312 et le porche au début du XIVème siècle (1312-1320).

Simon le Maye (1330-1352) termine cette phase de grands travaux par la construction de l'enceinte et du manoir de Rougemont.

Décadence du XIVème au XVIIème siècle L'abbaye traverse une longue période difficile: - la guerre de Cent ans, l'usurpation des biens, la pratique de la commende (abbés nommés uniquement pour toucher des revenus) et la dégradation de l'observance touchent gravement Marmoutier. - En 1569, les Huguenots pillent l'abbaye et saccagent l'église. Le sursaut du XVIIème à la Révolution Un sursaut permet de sauver Marmoutier ; en application des décisions du Concile de Trente et après de nombreuses résistances, l'abbaye est rattachée à la Congrégation de Saint-Maur en 1629 tout en gardant ses abbés commendataires jusqu'en 1739. Durant cette période, les Mauristes engagent des travaux spectaculaires dans l'abbaye : - jardins établis en terrasses à flanc de coteau (1651-1705) - bâtiment du Chapitre (1661-1678) - bâtiment des officiers (1678-1684) - portail Sainte Radegonde (1719) - infirmerie (1726-1736) - maison abbatiale (1736) - escalier Lenot - restauration de l'église (1789) La fin de l'abbaye Au moment de la Révolution française, les moines sont dispersés, les mobiliers sont vendus et l'abbaye est transformée en hôpital militaire pour les armées de l'ouest. elle accueillera jusqu'à 4000 malades et blessés. En 1798 le domaine est vendu et jusqu'en 1819, la majeure partie des bâtiments est détruite. La Résurrection Moderne

En 1847, le domaine est racheté par la Congrégation du Sacré-cœur qui entreprend la restauration du site et des bâtiments ainsi que la construction d'un pensionnat. Madeleine-Sophie Barat fait de Marmoutier un pensionnat de jeunes filles pour leur apporter éducation et instruction afin d'en faire "des femmes debout". Cette vocation d'éducation se poursuit jusqu'en 1905, date de la fermeture du pensionnat. La congrégation quitte l'abbaye de Marmoutier. En 1907, le domaine est mis en vente par l'État et il est racheté par Lord Clifford et l'année suivante le pensionnat Saint-Grégoire ouvrent ses portes. C'est en 1920 que la Congrégation du Sacré-Cœur réintègre Marmoutier. Durant ce XXème siècle les sœurs ont oeuvré pour la jeunesse fidèlement à la volonté de Madeleine-Sophie Barat et ont entretenu l'esprit du Sacré-Coeur. En juillet 2001, les dernières sœurs présentes à Marmoutier nous ont quittés. Une page de notre histoire s'est tournée... A nous, laïcs de faire perdurer cet ESPRIT !

Koning Leopold II is de vorst aan wie Oostende het meest te danken had. Hij is diegene die er voor gezorgd heeft dat Oostende kon uitgroeien van een onooglijk, armoedig dorp tot en mondaine wereldstad. Hij was het die, in 1865, zorg droeg dat de vestingmuren werden gesloopt waardoor de gelegenheid werd geschapen tot verdere uitbreiding van de stad. Hij zorgde ervoor dat de zeedijk degelijk werd aangelegd en dat de toegangswegen tot dijk en strand werden verbeter uitbreiding van de stad, dat de zeedijk degelijk werd aangelegd en dat de toegangswegen tot dijk en strand werden verbeterd. Hij liet er ook een koninklijke residentie bouwen die de faam van Oostende nog verder deed uitvloeien. Weliswaar gebeurde dit laatste enkel nadat hij bot had gevangen te Lombardsijde nadat de eigenaar van een stuk grond, waarop de Koning zijn oog had later vallen, weigerde dit stuk te verkopen en hij besliste naar Oostende uit te wijken. De Koninklijke schenking had daarbij een eis, nl. de afschaffing van de Krommestraat en vervanging door een betere baan in de verlenging van de Koninklijke straat en de Voetbalstraat. Dit werd dan ook toegestaan tijdens de zitting van 29 december 1927 en bekrachtigd door het Koninklijk Besluit van 30 december 1928 Tijdens de zitting van de gemeenteraad op 17 januari 1929 werd beslist, zeer tegen de mening van de socialistische leden, een standbeeld op te richten ter ere van vermelde Koning. Nadat bezwaren waren opgerezen tegen een ontwerp, opgemaakt door een zekere M. Dekesel werd, tijdens de gemeenteraad van 15 maart 1929, besloten een oproep te doen naar alle Belgische kunstenaars die, bij hun maquette, de vermoedelijke prijs en de hoedanigheid van de gebruikte materialen moesten vermelden. Tevens werd medegedeeld dat de kosten van het gedenkteken de 800.000 fr. niet mochten overtreffen en dat het monument zou opgericht worden voor de maand juni 1930 In zelfde zitting begon dan een heftige discussie nopens de plaats van inplanting. De commissie van Openbare werken stelde voor het gedenkteken op te richten op een te ontwerpen rondpunt gelegen tussen de Koninginnelaan, de Koerslaan en de Krommestraat, dat een diameter zou hebben van 60 meter terwijl het voetstuk van het gedenkteken gemiddeld 25 vierkante meter mocht hebben.

Tijdens de gemeenteraadszitting van 14 juni 1929 verklaarde de heer schepen Verhaeghe dat de Verenigde Commissie van Schoone Kunsten en Openbare Werken, na grondig onderzoek, het monument graag zouden zien oprichten op de Zeedijk tussen het Koninklijk Chalet en de Koninklijke gaanderijen en de voorkeur te geven aan het ontwerp ingediend door beeldhouwer A. Courtens.

Meteen ontstond een nieuw debat waarin verwezen werd naar blootstelling aan verzanding en beschadiging tijdens de wintermaanden. Voorgesteld werd het monument op te richten tegenover het nog te bouwen Thermaal Paleis ofwel op het einde van de Leopoldlaan in het park. Dit laatste werd meteen afgeblazen en na stemming werd gekozen voor de Zeedijk.

Het monument werd vervaardigd door de gebroeders Alfred en Antoine Courtens, zonen van de gekende schilder en beiden gerenommeerde beeldhouwers die reeds talrijke mooie prijzen hadden gewonnen en gekende monumenten op hun naam hadden staan.

De inhuldiging van het monument greep plaats op zondag 19 juli in aanwezigheid van de Koning. Op zaterdag reeds werd een aanvang gemaakt met de festiviteiten door het inrichten van een grootse verlichte stoet, waarbij de medewerking werd bekomen van het leger. Op zondag vergaderden de hoogwaardigheidsbekleders aan het stadhuis om, per auto, naar het Koninklijk Chalet te trekken om er de Koning te verwelkomen. Deze laatste begaf zich dan meteen naar de tribune waar de autoriteiten hem werden voorgesteld Daarop begon de eigenlijke plechtigheid met een welkomstwoord door de heer Burgemeester Moraux, gevolgd door de onthulling van het standbeeld. Hierop speelde de Stedelijke Harmonie het vaderlands lied , waarna de Koning het woord nam. Na de redevoering van de vorst werd, door schoolkinderen, een cantate gzongen naar een tekst van de heer Savonie. De schoolkinderen en de oud-strijders defileerden vervolgens voor de Hoge gasten , waarna de stoet, voorafgegaan door de Stedelijke Harmonie vertrok richting Visserskaai, Sint Petrus en Paulusplein , Kaaistraat om ontbonden te worden op de Groentenmarkt. Om 177 uur was er een voordracht in het Kursaal waar de heer Hennebicq de figuur van Koning Leopold belichtte. Om 21 uur werd de feestdag besloten met een groot concert en de uitvoering van een cantate, van M.J. Toussaint De Sutter, door 250 uitvoerders.

Maurice Ferier

Bron: http://www.oostendsenostalgie.be/

Tags

Friends

  • loading Loading…

 

Marc Vandersmissen's groups