henrivandeputte
Best photos All photos
photos
955
on Google Maps
views
@hvdputte

henrivandeputte's conversations

Hier woonde Vondel, dichter van Gijsbrecht van Aemstel. 1632.

Toen koningin Wilhelmina, met haar gevolg, naar Nederland terugkeerde was de Tweede Wereldoorlog nog niet afgelopen. Na de bevrijding van Eede werd de grenslijn tussen België en Nederland provisorisch aangegeven door een witte meelstreep. Op de puinhopen van het verwoeste dorp werd een nationale vlag geplaatst. Op 13 maart 1945 stak de vorstin vanuit België bij het Zeeuws-Vlaamse grensdorp Eede, nabij Aardenburg, de grens over. De vorstin schreef er zelf dit over: 'Zo kwamen wij dan de morgen van de dertiende maart bij Eede aan de Nederlandse grens, die ik te voet overschreed. Na een ontroerende verwelkoming door de aanwezigen ging het Nederland in. Waar ik ook kwam, dezelfde aandoening en geestdrift. Overal bloemen, geschenken en attenties van allerlei aard.' Later bezocht de Koningin Breda en het onder water gelopen Walcheren, waarvan ze zeer onder de indruk bleek: 'Het was een koude, onvergetelijke tocht. Welk een tragische aanblik bood nu het eens zo schilderachtige Walcheren: één groot watervlak zover men kon kijken, met overal verdronken torens en boerderijen, en bomen die geen jong groen meer zouden geven.'

Nationaal Monument 'De Nederlandse Maagd' in Eede (gemeente Sluis) is een zuil, bekroond met een beeld van een staande vrouwenfiguur. In haar handen draagt zij het Nederlandse rijkswapen. Het gedenkteken is 4 meter 80 hoog. Op het voetstuk luidt de tekst :

'HIER KEERDE OP 13 MAART 1945 ONZE LANDSVROUWE TERUG TOT HAAR VOLK'.

In 1984 zijn drie onderdelen aan het monument toegevoegd.

  1. Een brencarrier (rupsvoertuig dat ook in gebruik was bij de Irenebrigade).

  2. Een plaquette met de namen van de Canadese regimenten die daar gevochten hebben en verliezen hebben geleden.

De tekst op de plaquette luidt:

'THE ROYAL MONTREAL REGIMENT, THE CANADIAN SCOTTISH REGIMENT THE REGINA RIFLE REGIMENT, THE ROYAL WINNIPEG RIFLES 17 TH DUKE OF YORK'S ROYAL CANADIAN HUSSARS 6 - 19 OTOBER 1944'. 3. Een plaquette van zwart natuursteen, bevestigd op een bakstenen gedenkmuur. De plaat vermeldt de namen van veertig oorlogsslachtoffers uit de toenmalige gemeente Aardenburg, waar Eede sinds 1942 bijhoorde. De muur is 2 meter hoog en 2 meter breed.

Oorspronkelijk heeft Amsterdam vol gestaan met houten huizen. Van deze houten huizen is praktisch niets overgebleven. Amsterdam heeft nog maar twee houten huizen: Begijnhof 34 (±1425) en dit huis, Zeedijk 1 (±1550). Deze twee houten huizen behoren tot het latere type houten huis: ze zijn hoger en hebben stenen zijmuren.

Deze gevel geeft een unieke impressie van de houtbouw die tot diep in de 16de eeuw het stadsbeeld domineerde. Houten voorgevels werden tot in de 17de eeuw nieuw gebouwd. Voordelen boven een stenen gevel zijn de te verkrijgen ruimtewinst door de grote overstekken en de mogelijkheid om veel vensters te maken.

Interieur van 't Aepje Let op de spiltrap. Het huis is 5,6 bij 7 m breed en is dwars gebouwd. Het volledige houtskelet en ook de spiltrap is nog aanwezig, maar op de begane grond zijn de muurstijlen en korbelen verwijderd. Het houtskelet met renaissance sleutelstukken toont aan dat het huis niet ouder kan zijn dan 1540/50. De gevel is in ±1800 grotendeels van nieuwe beplanking voorzien. Origineel zijn het venster op de tweede verdieping, de verticale planken die tegen de stijlen van het houtskelet zijn gespijkerd en het staande beschot op de zolderverdieping. De verbouwing van ±1800 is af te lezen aan de horizontale beplanking, de vensters van de eerste verdieping, de kroonlijst en de consoles in Lodewijk XVI onder de overstek van de eerste verdieping. Oorspronkelijk had de gevel een klein punt-middentopgeveltje.

De oudste gegevens van 't Aepgen gaan terug tot 1543. Het is steeds een winkelhuis; in de 19de eeuw een kruidenier. In ±1878 werd de huidige winkelpui aangebracht. Na de restauratie in 1986/87 door de Vereniging Hendrick de Keyser kreeg de begane grond een horeca-bestemming en werden de verdiepingen hotelkamers van het Barbizon Palace Hotel.

Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De Sint-Willibrordus(kerk) buiten de Veste was een rooms-katholieke parochiekerk op de hoek van Amsteldijk en Ceintuurbaan in Amsterdam Oud-Zuid. Het was de grootste kerk van architect Pierre Cuypers. De kerk is gebruikt van 1873 tot 1966 en werd daarna gesloopt. De parochie verhuisde naar een gebouw dat nu bekend staat als Afrikahuis.

In bronnen uit de zeventiende eeuw wordt er al vermelding gemaakt van een Sint-Willibrordusparochie, waar een groot deel van Nieuwer-Amstel van uitmaakt. Deze had een schuilkerkje op het Kuiperspad (tegenwoordig Kuipersstraat). Later kwam er een hulpkerk op het Hoedemakerspad (tegenwoordig Van Ostadestraat). Daar in de negentiende eeuw De Pijp wordt volgebouwd en het bovendien mogelijk wordt om zichtbare katholieke kerken te bouwen, gaat men over tot de bouw van een enorme kerk. De drijvende kracht is pastoor Wubbe, die P.J.H. Cuypers als architect aantrekt. Met de bouw wordt begonnen in 1871. In 1873 kan men het eerste gedeelte van de kerk in gebruik nemen. Het zal tot 1899 duren voordat de kerk klaar is, maar dan nog zonder koepel. Deze komt pas gereed in 1924. Oorspronkelijk was de kerk trouwens met een groot aantal torens gedacht, maar wegens geldtekort kon dit niet gerealiseerd worden. De kerk werd Sint-Willibrordus buiten de Veste genoemd ter onderscheiding van de Willibrordus binnen de Veste, die beter bekend is als De Duif.

In 1966 moest de kerk wegens bouwvalligheid gesloopt worden. In 1970 was de sloop gereed. Op de plaats waar de kerk stond, vindt men tegenwoordig Zorgcentrum Tabitha en een groot plein. De parochie van Sint-Willibrordus buiten de Veste betrok een nieuw kerkgebouw in de Van Ostadestraat, maar fuseerde uiteindelijk met de parochie van Onze-Lieve-Vrouwe Koningin van de Vrede in de Vredeskerk. Het gebouw aan de Van Ostadestraat staat tegenwoordig bekend als Afrikahuis.

Het Gemeentelijk Museum is ontstaan onder impuls van de Heemkundige Vereniging De Gonde die vanaf 1971 een ruime waaier aan activiteiten heeft ontplooid op het vlak van historisch onderzoek m.b.t. Melle en omgeving.

Voor het tentoonstellen van de vele opgegraven archeologische vondsten alsmede de verzamelde heemkundige voorwerpen, werd in 1973 door het gemeentebestuur van Melle een eerste lokaal ter beschikking gesteld. Onder druk van de verdere uitbreiding van de activiteiten (o.a. het inrichten van een archief en documentatiecentrum en het steeds groter wordende aanbod van de collectie archeologica, heemkundige voorwerpen alsook de schenking m.b.t. het leven en werk van de Melse beeldhouwer Jules Vits (1868-1935) werd het museum meermaals ruimtelijk uitgebreid.

http://users.skynet.be/museum.melle/museum.htm

De Basiliek van Oostakker-Lourdes is de kerk van een belangrijk bedevaartsoord in Oostakker, een deelgemeente van Gent.

Het bedevaartsoord kwam er op initiatief van een adellijke vrouw: Markiezin de Courtebourne-de Nédonchel, die toen op het naburige kasteel Slotendries woonde. In 1873 bouwde zij in haar tuin een grot ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Na de inzegening van het beeld aan de grot op 29 juni 1873 vroegen omwonenden en bewoners van het Gentse om te mogen komen bidden aan de grot. Een jaar later is Pieter De Rudder aan de Lourdesgrot op miraculeuze wijze genezen van een open beenbreuk. Door deze genezing ontstond er een grote toeloop van gelovigen. Om de bedevaarders te ontvangen bouwde men in 1875 een kerk in neo-gotische stijl naar de plannen van architect E. Van Hoecke-Peeters met een lichte aanpassing door architect J.B. Bethune in 1876. Ze werd in 1877 ingezegend en bij het 50-jarig bestaan van het bedevaartsoord in 1924 verheven tot basiliek. Het meubilair is ook neo-gotisch en ontworpen door J.B. Bethune.

De basiliek is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, de naam waarmee Maria zich bekend maakte aan Bernadette op 25 maart 1858.

Achteraan rechts in de kerk vindt men een foto en enige informatie over Pieter De Rudder en links een beeld van Bernadette. Links vooraan in de kerk staat het gekroonde beeld van Maria, Onbevlekt Ontvangen. Boven het hoofdaltaar stelt een retabel drie grotten voor: de grot van Jezus' geboorte te Bethlehem, de grot van Jezus' verrijzenis en deze van Lourdes. Op een van de glasramen boven het hoogzaal staat de H. Alfonsus van Liguori afgebeeld. Een kleindochter van markiezin De Courtebourne werd immers Redemptoristin. Zeer mooi is de afbeelding van het H. Hart in de voorste zijkapel links.

Door toedoen van onder ander Markiezin de Courtebourne, werd Oostakker-Lourdes ook de bakermat van een indrukwekkende onderwijscampus.

Geboortehuis Eduard Douwes Dekker nu Multatulimuseum in de Korsjespoortsteeg

Eduard Douwes Dekker werd geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam uit een doopsgezinde familie. Al vroeg stelde hij kritische vragen over het geloof en schreef hij gedichten. Zijn vader - Engel Douwes Dekker - was scheepskapitein en zijn moeder huisvrouw. Zij heette Sytske Eeltjes Klein. In dit gezin zouden vijf kinderen geboren worden: Catherina (1809), Pieter Engel (1812), Jan (1816), Eduard (1820) en Willem (1823). In 1838 reisde Eduard aan boord van het schip waar zijn vader het commando over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad Eduard Douwes Dekker in dienst van het Nederlands Bestuur als kommies van de Algemene Rekenkamer; in de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar, los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu, een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel-)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.

[bewerk] Bestuursambtenaar In Nederlands-Indië Zo werd Douwes Dekker in 1842 op 12 oktober benoemd tot controleur van het roerige district Natal aan de Westkust van Sumatra. Onder Dekkers controleurschap bleek hier echter een kastekort, waarover hij een ernstige berisping kreeg van de gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Michiels. Het leverde hem het etiket "eerloos" op, waardoor Douwes Dekker zich bijzonder gegriefd voelde. Toen hij wegens het tekort te Natal door Michiels tijdelijk geschorst was, en, naar eigen zeggen zelfs honger leed, schreef hij, om zich te revancheren, het toneelstuk De eerloze, later uitgegeven als De bruid daarboven. Overigens is het de vraag of Dekker voor het kastekort te Natal wel verantwoordelijk was; door zijn bemoeienis met plaatselijke conflicten had hij nauwelijks tijd om zich met de financiën bezig te houden. Het tekort dateerde al van voor Dekkers komst, en was volgens de Max Havelaar, waarin deze episode uitgebreid beschreven wordt, ontstaan doordat gelden voor troepenzendingen naar het binnenland niet waren geadministreerd.

Uiteindelijk werd de geharde generaal, die de vele opstanden op West-Sumatra met succes had neergeslagen, door de Algemene Rekenkamer te Batavia in het ongelijk gesteld. Maar Dekker was als jong bestuursambtenaar de strijd met hem aangegaan, en moest daarom onherroepelijk het veld ruimen. Nadat hij het tekort uit eigen middelen had aangevuld werd hij op wachtgeld gezet en naar Java overgeplaatst. Het zou echter nog niet het laatste conflict zijn in Dekkers ambtelijke carrière, en nadien in zijn schrijverschap.

[bewerk] Huwelijk, carrière en verloftijd Terug op Java trouwde Dekker in 1846 met Tine baronesse van Wijnbergen. Uit dit huwelijk zouden twee kinderen geboren worden: zoon Edu in 1854 en dochter Nonni in 1857. Met zijn zoon Edu bleef de verhouding zijn leven lang moeilijk. Dat hij naast zijn vrouw ook andere vrouwen meer dan aardig vond, was voor Tine een zware beproeving, vooral na hun terugkeer naar Nederland en het begin van zijn literaire carrière.

Na functies in 's lands dienst te Krawang en Poerworedjo, waar hij in ondergeschikte posities werkte, werd Dekker in 1848 benoemd tot secretaris van de residentie Menado op het eiland Celebes, waarmee hij volledig herstel van zijn ambtelijke carrière genoot. Zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel voor de inlandse bevolking vond hier waardering bij resident Scherius, die bij zijn vertrek in 1851 Dekker als zijn opvolger aanbeval. Het gouvernement ging hier niet op in; Dekker maakte opnieuw privéschulden en tijdens zijn latere verlof in Nederland bleek bovendien dat hij ook hier een bestuurlijk kastekort achterliet, waarvan de precieze oorzaken niet zijn opgehelderd. Uit zijn tijd in Menado is verder een toespraak van Dekker tot de inlandse hoofden overgeleverd, die sterke gelijkenis vertoont met de beroemde toespraak uit Lebak, die de schrijver Douwes Dekker later zou verwerken in zijn Max Havelaar.

Eind 1851 beklom Dekker een nieuwe sport op de bestuurlijke ladder door zijn plaatsing te Ambon als assistent-resident, maar om gezondheidsredenen werd hem reeds na enkele maanden een langdurig verlof naar Nederland toegestaan, waar hij van 1852 tot mei 1855 verbleef. Hij maakte er vele plannen o.a. voor boekuitgaven, maar verwezenlijkte er weinig. Wel maakte hij bovenop zijn verlofgeld tal van schulden, naar het schijnt in de ijdele veronderstelling, dat hem geld zou toevloeien via de familie van zijn vrouw. Ondanks zijn later succes als schrijver, werd Dekker vrijwel zijn hele leven door schuldeisers achtervolgd.

Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 2 maart 1820 — Nieder-Ingelheim, 19 februari 1887) was een Nederlands schrijver en vrijmetselaar, bekend onder het pseudoniem Multatuli.

Eduard Douwes Dekker werkte als ambtenaar in Nederlands-Indië (het tegenwoordige Indonesië), waar, toen hij er op 19-jarige leeftijd aankwam, naar eigen zeggen zijn 'ziel ontwaakte', maar waar hij ook de vele wantoestanden zag onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse koloniale bewind. Zijn bekendste werk is zijn autobiografie Max Havelaar, waarin hij de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders aan de kaak stelde. In dit boek koos Dekker het pseudoniem Multatuli, Latijn voor 'ik heb veel (leed) gedragen' (multa tuli) en een verwijzing naar een beroemde passage uit de Tristia van Ovidius.

Multatuli overleed in Nieder-Ingelheim (Duitsland).

In juni 2002 werd de Max Havelaar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalige letterkundige werk aller tijden.

Het Multatuligenootschap stelt zich ten doel de kennis van Multatuli te bevorderen en zijn blijvend belang te onderstrepen. Het beheert het Multatuli-Museum, dat gevestigd is in het geboortehuis van de auteur. De huidige voorzitter is Cees Fasseur.

The statue is more famous as Patung Pak Tani (Farmer Statue), whilst the official name is actually Patung Pahlawan (Hero Statue).

When President Soekarno visited Moscow, he was impressed with its statues. He was then introduced to the artist, by the name of Matvei Manizer and his son Otto Manizer. Later Soekarno invited them to come to Jakarta to build a statue that depicting spirit of freedom.

The bronze statue was inaugurated by Soekarno in 1963. On it you can read "Bangsa yang menghargai pahlawannya adalah bangsa yang besar" (The nation that respects its heroes is a great nation).

Arjuna Wiwaha Statue [Jalan Medan Merdeka Barat]

Monument of The Splendor of the Indonesian Nation. The statue represents Arjuna, mythical hero from the Mahabharata Epic.

Monument van de roem van de natie. [Jalan Medan Merdeka Barat] Het monument verbeeldt Arjuna, de mythische held uit de Mahabharata, op zijn strijdwagen, klaar voor de aanval.

Friends

  • loading Loading…

 

henrivandeputte's groups